De oudste gewone Brunello die wij van dit huis hebben, en de enige die u vandaag zonder geduld kunt openen. Volledig op dronk, met alles wat rijping brengt.
Granaatrood met duidelijke bakstenen randen — de kleur van een volgroeide Brunello. De neus is breed en tertiair geworden: gedroogde kers en pruim, onderhout, leer en tabak, met daarnaast drop, gedroogde rozen en een balsamieke, bijna medicinale toets. In de mond is de wijn zacht en volledig opgelost; de tannines zijn er nog wel maar voelen als fluweel, en de zuurgraad houdt het geheel verrassend levendig. Er is geen hoek meer aan deze wijn. De afdronk is rustig, hartig en aanhoudend. Drink hem nu, zonder karaf, bij gebraden vlees, truffel of een rijpe pecorino. Rond 18 graden. Dit is de fles om te openen als u niet wilt wachten.
In Montalcino noemen grootouders hun kleindochters potazzine, naar de kleine, kleurige vogeltjes van het Toscaanse land. Zo noemde oma de dochters van eigenaresse Gigliola Giannetti, Viola en Sofia — en het domein groeide met hen mee: Viola werd geboren in 1993, het oprichtingsjaar, en bij Sofia's komst in 1996 kwamen er twee hectare bij, tot de vijf van vandaag.
De Brunello wordt hier traditioneel gemaakt: een spontane vergisting van ruim veertig dagen op eigen wilde gisten, zonder temperatuurbeheersing, gevolgd door ruim drie jaar in botti van 30 en 50 hectoliter Slavonisch eiken van Garbellotto. Ongefilterd.
Wij hebben van deze jaargang nog dertien flessen. Voor wie wil weten hoe een Brunello van dit huis oud wordt, is dit de kortste weg.