“Wij zijn vier vrouwen die de druiven uitzoeken.” Gigliola Giannetti zegt het zonder omhaal, en het is geen anekdote maar de kern van dit bedrijf: op Le Potazzine gaat elke tros over de sorteertafel, en de handen die dat doen zijn die van de familie zelf.
Gigliola kocht het domein in 1993, het jaar waarin haar dochter Viola werd geboren. Er volgden vier jaar van herbeplanten; de eerste oogst was 1997. Bij de komst van Sofia in 1996 kwamen er twee hectare bij in het zuiden, waarmee het totaal op vijf kwam — precies de vijf die vandaag voor Brunello staan ingeschreven. De naam verwijst naar de potazzine, de kleine kleurige zangvogeltjes van het Toscaanse land, en naar de koosnaam waarmee oma haar kleindochters aansprak. Gigliola leidt het bedrijf nog altijd, samen met Viola en Sofia.
Wat dit huis onderscheidt is hoogte, en het samenspel van twee percelen. Le Prata ligt rond de kelder op 507 meter, uitzonderlijk hoog voor Montalcino, en geeft elegantie en finesse; La Torre bij Sant’Angelo in Colle ligt op zo’n 420 meter en brengt structuur en kracht. De bodem is een mengsel van klei en zand met kalksteen. Beide percelen worden apart geoogst, apart vergist en apart gerijpt, en komen pas bij de botteling samen. Vergisten gebeurt spontaan, uitsluitend op de eigen wilde gisten en zonder temperatuurbeheersing — een werkwijze die vakmanschap vraagt, want zo’n gisting kan stilvallen voordat hij voltooid is. Rijpen gebeurt in grote Slavonische foeders van dertig en vijftig hectoliter.
Het resultaat is een Brunello die het van geur en spanning moet hebben in plaats van van kracht: koel, mineraal, met een zuurgraad die decennia meegaat. Het domein werkt zonder middelen op basis van chemische synthese en is in omschakeling naar biologische landbouw. Met zo’n 35.000 flessen per jaar is dit een klein huis — en juist daarom een dat elke fles kan verantwoorden.